Metingen

In dit hoofdstuk wordt uitgelegd welke metingen uitgevoerd kunnen worden. Het is zinvol om uitgebreide voor- en nametingen uit te voeren om op individueel niveau het effect te meten van het toepassen van de werkwijze.


De metingen hebben betrekking op de doelwoorden en de afleiders en tevens om te toetsen of de geleerde vaardigheden kunnen worden toegepast in niet getrainde woorden (generalisatiemeting).

Je voert metingen uit aan de hand van gestandaardiseerde instructies met betrekking tot:

LET OP: BIJ DE METINGEN WORDEN PÉR DEELVAARDIGHEID ALLE DOELWOORDEN ÁCHTER ELKAAR AANGEBODEN!!! 

In de video hieronder kun je de beschreven stappen nog eens terugkijken.

Generalisatiemeting
Om te controleren of het geleerde ook toegepast kan worden bij het automatisch herkennen, decoderen en spellen van niet getrainde woorden, worden generalisatiemetingen verricht met betrekking tot dezelfde deelvaardigheden. De procedures voor deze metingen zijn identiek aan die voor de doelwoorden. Generalisatiemetingen worden uitgevoerd voorafgaand aan de interventie en na afloop van een bepaalde periode van interventie. In de bijlage staan bij het voorbeeld de generalisatiewoorden in het meetformulier erbij.

Meetformulier
Er is een meetformulier ontwikkeld waar alle onderdelen in verwerkt zijn.

Bij het hoofdstuk ‘bronnen’ staan de lege meetformulieren in een ‘word-bestand’ zodat je deze kunt bewerken voor de huiswerkopdrachten en in de praktijk.


  • De begeleider biedt het doelwoord (alleen) schriftelijk aan en laat daarbij in picto’s/afbeeldingen/foto’s het doelwoord en de afleiders aan de leerling zien. Bijvoorbeeld:

  • De begeleider wijst naar het woord en zegt het woord NIET hardop. De begeleider vraagt aan de leerling om het woord te lezen en de bijpassende picto aan te wijzen. De leerling wijst een picto aan en de begeleider schrijft de keuze van de leerling op het meetformulier (zie bijlage).
  • De begeleider biedt alle doelwoorden achter elkaar aan op bovenstaande manier.
  • De picto’s en afleiders staan op iedere rij in een andere volgorde zodat de leerlingen niet verleid worden om een visuele route te gaan onthouden.
  • De begeleider biedt de picto van het doelwoord aan en laat daarbij in woorden het doelwoord en de afleiders zien:

  • De begeleider wijst naar de picto en vraagt aan de leerling om het woord aan te wijzen dat bij de picto hoort. De leerling kiest een woord en de begeleider noteert het gekozen woord op het meetformulier (zie bijlage)
  • De begeleider biedt alle doelpicto’s achter elkaar aan

 

  • De begeleider biedt de picto van het doelwoord aan en vraagt de leerling om het woord te spellen met behulp van de letterkaart op het OC hulpmiddel of stempelkaart of met potlood of pen;
  • De begeleider noteert de keuze van de letters op het meetformulier;
  • De begeleider biedt alle doelpicto’s aan totdat de leerling alle doelwoorden heeft gespeld.
  • De begeleider legt uit dat bij deze taak alleen de oren gebruikt hoeven te worden. De ervaring leert dat veel leerlingen de bijbehorende vraag niet meteen begrijpen. Vandaar dat bij dit onderdeel van de toets eerst drie voorbeelden worden gegeven;
  • De begeleider geeft een voorbeeld: ‘ik zeg het woordje ‘tas’, hoor jij in het woordje tas de letter ‘k’?. De leerling beantwoordt de vragen met ja/nee. Bij het voorbeeld vraagt de begeleider 2 klanken die wel en 2 klanken die niet in het woord zitten. Tijdens het uitspreken van het woord laat de begeleider duidelijk zijn/haar mond zien en de begeleider legt ook uit dat een letter wel of niet in het woord zit. Vervolgens legt de begeleider uit dat bij de taak die volgt de mond van de begeleider niet in beeld is en dat ‘de oren nog harder moeten werken’. De begeleider geeft nog twee voorbeelden waarbij het mondbeeld niet zichtbaar is en noteert het antwoord van de leerling met ja/nee en zegt dan tegen de leerling of het antwoord juist is en noteer een + of een –;
  • Vervolgens geeft de begeleider aan dat de toets gaat beginnen en dat geen hulp meer zal worden geboden;
  • De begeleider biedt van alle doelwoorden 2 klanken die wel en 2 klanken die niet in het woord zitten aan. De leerling geeft antwoord door ja of nee aan te geven.
  • De begeleider zegt een klank in eerste instantie ‘blind’ (enkel auditief aangeboden) achter een vel papier, de leerling mag op de papieren letterkaart of op de letterkaart van het communicatiehulpmiddel een letter kiezen. De begeleider noteert de gekozen letter. Elke keuze die de leerling maakt wordt geaccepteerd. Wanneer het antwoord correct is, gaat de begeleider de volgende klank zeggen. Wanneer het antwoord niet correct is, zegt de begeleider de klank nogmaals waarbij het mondbeeld te zien is. De begeleider noteert de, door de leerling, gekozen letter. Wanneer het antwoord niet correct is, stelt de begeleider de vraag nogmaals waarbij tijdens het zeggen van de klank ook het klankgebaar wordt gemaakt. Noteer de gekozen letter en ga door naar de volgende klank;

  • Alleen bij deze taak wordt hulp geboden om erachter te komen met welke mate van hulp de klank-tekenkoppelingen wel gekend worden;
  • De begeleider noteert welke letter wordt getypt/geschreven/gestempeld bij welke klank;
  • De begeleider biedt alle letters aan die voorkomen in de doelwoorden.